• Onderzoek naar rashonden én bastaarden
Leestijd
3 minuten
Tot nu toe gelezen

Onderzoek naar rashonden én bastaarden

lun, 05/14/2018 - 13:03

Er is een grootschalig onderzoek gedaan naar erfelijke afwijkingen in rashonden én kruisingen, waarvan de resultaten nu bekend zijn.
Dit onderzoek van Genoscoper en Wisdom brengt in kaart waar men al lange tijd over discussieert: zijn kruisingen gezonder dan rashonden, en bestaat er zoiets als bastaardkracht?

Met een onderzoeksgroep van meer dan 100.000 honden, zowel rashonden als kruisingen, komt hier nu veel bruikbare informatie over naar buiten. Onderzoekers hebben zich gericht op 152 erfelijke aandoeningen en kwamen hierbij tot interessante ontdekkingen. Er zijn veel onderzoeken naar rashonden en de mate waarin erfelijke afwijkingen voorkomen binnen een ras, Maar bij kruisingen is hier veel meer onduidelijkheid over. Omdat van kruisingen vaak geen gegevens worden bijgehouden is het ook veel moeilijker in kaart te brengen hoe het er voor staat met de gezondheid van deze populatie. Ook is deze groep veel grote en gevarieerder dan dat van relatief kleine rashondenpopulaties.
Mede daardoor is het beeld ontstaan dat rashonden er gezondheidstechnisch veel slechter voorstaan dan kruisingen. Maar is dit echt zo, of wordt dit beeld in stand gehouden door de manier waarop er wordt onderzocht en geregistreerd?

Er is geen eenvoudig antwoord op de vraag “zijn kruisingen gezonder dan rashonden?”, maar met dit onderzoek is er wel meer inzicht gekomen in deze vergelijking. Zo is gebleken dat bij kruisingen het percentage mutaties voor erfelijke afwijkingen hoger was dan bij rashonden, maar de groep rashonden meer lijders van erfelijke afwijkingen bevatte. Dit kan verklaard worden doordat er bij rashonden meer sprake is van homozygotie: de kans dat zij twee identieke genenparen hebben is groter dan bij kruisingen.
Omdat de meeste erfelijke afwijkingen autosomaal recessief vererven is de kans dat een eigenschap tot uiting komt bij rashonden groter. Bij kruisingen werden in totaal wel vaker mutaties van erfelijke afwijkingen gevonden, maar doordat meer honden slechts één kopie van het gen droegen kwam de aandoening niet tot uiting. Dit maakt dat bij kruisingen relatief meer autosomaal recessieve eigenschappen voorkwamen in het genotype, maar rashonden vaker lijder zijn van deze erfelijke afwijkingen.

Hoewel dit de theorie over bastaardkracht onderstreept, merkt men wel op dat een aantal vaak voorkomende aandoeningen ook veelvuldig in kruisingen werden gezien. Om die reden is de kans dat er lijders worden geboren uit twee ogenschijnlijk onherleidbare kruisingen aanzienlijk.
Het onderzoeksteam ging hier dieper op in door eigenaren van kruisingen te benaderen waarbij twee kopieën van een gen werd gevonden. Hierbij kwam men erachter dat een aantal van deze honden het ziektebeeld in meer of mindere mate vertoonde, maar de diagnose lang niet altijd werd gesteld. Zo beschrijft het onderzoek de casus van een kruising met spinocerebellaire ataxie, een hersenaandoening: “Een vier-jarige gecastreerde reu, kruising Dwergpoedel/Yorkshire Terriër met ook wat genen van de Parson Russell Terriër (meer dan drie generaties geleden) droeg twee kopieën van het recessieve gen voor spinocerebellaire ataxie dat oorspronkelijk werd gevonden bij de Parson Russell en Jack Russell Terriër. De eigenaar wist videomateriaal te vinden waarin werd bevestigd dat de hond klinische symptomen van deze aandoening had. Hij vertoonde een abnormaal gangwerk vanuit z’n achterhand, ongecoördineerde bewegingen en een beperkte balans waardoor de hond erg onhandig overkwam. Er werden echter geen ernstigere klachten gezien zoals inspanningsintolerantie, aanvallen en gedragsveranderingen. De eigenaar zag de symptomen van de hond als een karaktertrek, lompheid en onhandigheid.”

In totaal werden er zo’n 83.000 kruisingen meegenomen in het onderzoek en 18.000 rashonden van 330 verschillende rassen. Van de kruisingen werd via hun DNA bepaald uit welke rassen ze voorkomen. Deze gegevens zijn afkomstig uit laboratoria die het Wisdom Panel aanbieden, een DNA test waarmee de rassen in een kruising kunnen worden achterhaald. Hierbij werden de zogenaamde F1 honden, dus honden bestaande uit slechts twee verschillende rassen (of “designer-rassen”) uitgesloten en lag de focus op kruisingen van meerdere rassen.

Dit onderzoek is het meest grootschalige over dit onderwerp tot op heden. Er werd voor gekozen om aandoeningen te onderzoeken die veelvuldig voorkomen bij honden, waaronder Degeneratieve Myelopathie (DM), PRA, Exercise-Induced Collapse (EIC) en Von Willebrand’s Disease. De meeste van de in totaal 152 erfelijke aandoeningen waar op is onderzocht vererft autosomaal recessief.
Ongeveer 2 op de 5 honden uit de totale onderzoeksgroep bleek tenminste één kopie van één van deze 152 aandoeningen bij zich te dragen. Ook kwam naar voren dat de meeste aandoeningen voorkomen in zowel rashonden als kruisingen, al lag het aantal lijders (met twee kopieën van het gen) bij rashonden hoger.

Echter, een aantal specifieke aandoeningen bleek zich juist te beperken tot één of meerdere rashonden en kwamen niet tot zelden voor bij de andere rassen en kruisingen. Zo blijft Juveniele Epilepsie beperkt tot het ras Lagotto Romagnolo; terwijl 28,3% van de in totaal 824 Lagotti het gen droegen, werd het niet gevonden in andere rassen en kruisingen. Hetzelfde gold voor Canine Multifocal Retinopathy bij de Coton de Tulear, dat bij 15,8% van de onderzoeksgroep Cotons voorkwam.
Neonatale Encophalopathie werd bij 16,8% van de grote Poedels gevonden en bij slechts één kruising. Cystinurie type I-A blijkt specifiek een aandoening voor de Newfoundlander, daar werd het gen bij 14,9% van de honden gevonden en daarnaast bij één kruising. Andere aandoeningen die als rasspecifiek werden gezien, werden juist ook gevonden in andere populaties. Een voorbeeld hiervan is pyruvate kinase in Beagles. Men vermoedt dat het gen zich wel via dit ras heeft weten te verspreiden, maar het is inmiddels ook veelvoudig te vinden in kruisingen.
Ook kwam bij het onderzoek aan het licht dat 22 erfelijke afwijkingen voorkwamen in het genotype van rashonden waar de ziektes nog niet eerder zijn beschreven. De onderzoekers benadrukken dat dit waardevolle informatie is, maar dat er verder onderzoek nodig is naar de specifieke aandoeningen en rassen om conclusies te kunnen trekken.

De gegevens uit dit onderzoek leveren veel bruikbare informatie voor zowel fokkers, rasverenigingen als dierenartsen. Daarom is op de website MyDogDNA al deze informatie gebundeld voor gratis gebruik door verenigingen, fokkers en artsen. Op de website is per ras te vinden welke aandoeningen in dit onderzoek werden gevonden in het genotype van de populatie. Ook kan men zoeken op een aandoening en bekijken in welke rassen deze gevonden werd. Per ras wordt weergeven hoe veel procent van de populatie (van de onderzoeksgroep) het gen voor deze aandoening bij zich draagt. Dit wordt aangevuld met een percentage van het ras dat één kopie van het gen bij zich draagt. Benieuwd welke genmutaties er in jouw ras werd gevonden, of hoe wijdverspreid sommige aandoeningen daadwerkelijk zijn? Het is vanaf nu te vinden op http://www.mybreeddata.com/crm/index.html

bron

Bron: PLOS genetics.